Go to Top

Opheffing beslag in kort geding

Het is lastig een gelegd conservatoir beslag door middel van een kort geding opgeven te krijgen. Uit de volgende uitspraak van 2 juli 2014 van de rechtbank te Utrecht betreffende opheffing beslag in kort geding blijkt dat het wel mogelijk is. De vordering waarvoor beslag is gelegd was onvoldoende aannemelijk en onterecht was vervangende zekerheid afgewezen, namelijk betaling van de vordering op de derdengeldrekening van de advocaat. Hierna volgen de belangrijkste overwegingen.

4 De beoordeling

4.1.De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. [eiser] voert met juistheid aan dat in de beschikking van 29 april 2014 ten onrechte en in afwijking van de beslagsyllabus, een opslag van dertig procent is aangehouden voor rente en kosten omdat deze rente en kosten reeds zijn begrepen in de door [gedaagde] gestelde vordering. Dit brengt mee dat de vordering waarvoor beslag is toegestaan, in dit kort geding (opnieuw) dient te worden begroot. Uitgaande van de door [gedaagde] gestelde hoofdsom, rente, boete en buitengerechtelijke incassokosten, dient de vordering te worden (her)begroot op € 2.529,37. Van dit bedrag wordt in het vervolg uitgegaan.

4.3.Aan zijn verzoek tot het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag heeft [gedaagde] het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] dient volgens [gedaagde] de huur te betalen per kwartaal. Deze huur bedraagt (na verlaging) € 562,69 per maand en daarmee € 1.688,07 per kwartaal, aldus [gedaagde]. Vanaf het begin heeft [eiser] in strijd met de huurovereenkomst de huur maandelijks betaald in plaats van per kwartaal. Na oktober 2013 is [eiser] volgens [gedaagde] opgehouden met betaling van huur, om in januari 2014 maandelijks een bedrag van slechts € 487,69 te voldoen. De huurachterstand bedroeg volgens [gedaagde] op 8 april 2014 in totaal € 2.550,76. Van dit bedrag strekt in mindering een betaling door [eiser] van € 862,69 op 19 april 2014, waardoor een huurachterstand van € 1.688,07 resteert, zo voert [gedaagde] verder aan in zijn verzoekschrift.

4.4.De huurprijs voor het gehuurde bedraagt op grond van de uitspraak van de huurcommissie € 487,69. In die zin voldoet [eiser] aan de op hem rustende verplichtingen door dit per maand verschuldigde bedrag aan [gedaagde] te betalen. Vervolgens komt de vraag aan de orde of partijen, al dan niet stilzwijgend, zijn overeengekomen dat [eiser] de verschuldigde huur per maand in plaats van per kwartaal betaalt. Dit wordt door [eiser] gesteld en door [gedaagde] betwist.

4.5.Uit twee door [eiser] overgelegde betalingsoverzichten blijkt dat zowel hijzelf als zijn buurman [A], met wie [gedaagde] eveneens een geschil heeft, de huur vanaf het aangaan van de huurovereenkomsten maandelijks betaalt. Ter terechtzitting zijn deze maandelijkse betalingen ook door [gedaagde] erkend. Verder heeft [gedaagde] ter terechtzitting erkend dat alle huurders van de vijfentwintig appartementen in het complex waarin [eiser] en [A] woonruimte huren, de huur maandelijks betalen in afwijking van de betaling per kwartaal zoals deze in de huurovereenkomst is overeengekomen. Ook onderkent [gedaagde] dat hij in zijn brief van 24 april 2014, waarin de jaarlijkse huurverhoging aan [eiser] is voorgelegd, spreekt over maandelijkse betaling waar hij schrijft dat [eiser] in mei en juni 2014 nog het oude bedrag mag blijven overmaken.

4.6.Waar [gedaagde] ter terechtzitting heeft aangevoerd dat hij om hem moverende redenen, die niet door hem zijn geduid, betalingen per kwartaal wenst en volgens hem iemand, in dit geval [eiser], de eerste moet zijn om aangesproken te worden tot kwartaalbetalingen, acht de voorzieningenrechter zijn standpunt onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft ter terechtzitting niet de stelling van [eiser] weersproken dat [eiser] en [A] op de korrel worden genomen en worden aangesproken tot kwartaalbetalingen zuiver omdat zij de enige twee huurders zijn die een procedure bij de Huurcommissie zijn gestart en in het gelijk zijn gesteld. Dit en het feit dat [gedaagde] van meet af aan maandelijkse betaling van de huurpenningen heeft geaccepteerd en daar bovendien zelf aan refereert in zijn brief van 24 april 2014 omtrent de voorgestelde huurverhoging, brengt mee dat [gedaagde] in redelijkheid geen kwartaalbetalingen van [eiser] kan verlangen.

4.7.Voorgaande brengt mee dat de door [gedaagde] op 28 april 2014 aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegde vordering, die betrekking had op de huur voor het kwartaal dat de maanden april, mei en juni 2014 bestrijkt, onvoldoende aannemelijk is geworden. [eiser] heeft, onderbouwd met een betalingsbewijs, gesteld dat de huur voor de maand april 2014 op 1 april 2014 door hem is voldaan. Dit is niet door [gedaagde] weersproken. Verder is de vordering van [gedaagde] ten aanzien van de huur voor de maanden mei en juni 2014 onvoldoende aannemelijk omdat die huur nog niet opeisbaar was op het moment dat [gedaagde] zijn verzoekschrift indiende. Dit volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de betaaltermijnen. Daarbij komt dat uit het betalingsoverzicht waarop [eiser] zich beroept blijkt dat hij op 16 april 2014 een bedrag van € 862,69 en op 2 juni 2014 een bedrag van € 562,69 aan [gedaagde] heeft betaald. Gelet hierop mocht van [gedaagde] een nadere onderbouwing van de door hem gestelde vordering worden verwacht. Omdat deze onderbouwing is uitgebleven en op grond van de door [eiser] met betalingsbewijzen onderbouwde stellingen moet worden aangenomen dat hij tijdig aan alle uit de huurovereenkomst en de nadere overeenkomst aangaande de betalingstermijnen voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan, is niet summierlijk gebleken van de deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde].

4.8.Anders dan [gedaagde] lijkt te betogen, gaat het conservatoire beslag dat gelegd is voor de huur voor de periode april, mei en juni 2014, niet (automatisch) over in een conservatoir beslag ter verzekering van verhaal van de huur voor de maanden juli, augustus en september 2014. Daarbij komt – ook indien ervan uit wordt gegaan dat [eiser] de huur per kwartaal dient te betalen – dat de huur voor deze laatste drie maanden nog niet opeisbaar was ten tijde van de terechtzitting in kort geding. Uitgaande van maandelijkse huurbetaling, hetgeen voor de hand ligt gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is het standpunt van [gedaagde] ook niet te volgen. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] de huur voor de maand juli 2014 niet tijdig heeft betaald en uit het voorgaande volgt dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat de huur voor de maanden augustus en september 2014 nog niet opeisbaar is.

Boete en contractuele rente

4.9.[gedaagde] stelt in zijn verzoekschrift voorts dat [eiser] een boete van € 390,00 heeft verbeurd in de periode 1 november 2013 tot en met 22 april 2014 en dat [eiser] contractuele rente verschuldigd is ter hoogte van € 122,65 tot en met april 2014. Nog daargelaten dat [gedaagde] deze bedragen op geen enkele wijze heeft onderbouwd noch een berekening heeft overgelegd waaruit een en ander volgt, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] deze vorderingen succesvol kan instellen in een bodemprocedure.

4.10.[gedaagde] heeft, zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest, gesteld dat zijn vordering betrekking heeft op niet tijdige betaling van de huur voor het tweede kwartaal van 2014. Uitgaande van deze periode valt zonder nadere onderbouwing, die geheel ontbreekt, niet in te zien dat [eiser] een boete verschuldigd is vanaf 1 november 2013. Dit klemt te meer omdat [eiser] vanaf de aanvang van de huurovereenkomst maandelijks € 900,00 aan [gedaagde] betaalde, terwijl hij op grond van de uitspraak van de Huurcommissie vanaf 16 september 2012 (slechts) € 487,69 aan huur en (op grond van de huurovereenkomst) € 75,00 aan servicekosten aan [gedaagde] verschuldigd was. Daarvan uitgaande heeft [eiser] aanvankelijk teveel aan [gedaagde] voldaan en kan er niet zonder meer van uit worden gegaan dat [eiser] niet tijdig aan enige verplichting uit de huurovereenkomst heeft voldaan en als gevolg daarvan een boete heeft verbeurd. Omdat een toelichting van de zijde van [gedaagde] bij het verzoekschrift en ter terechtzitting achterwege is gebleven, blijkt niet summierlijk van de deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] op dit punt.

4.11.[gedaagde] beroept zich ter onderbouwing van de door hem gestelde vordering voor wat betreft contractuele rente op artikel 20.2 van de Algemene Bepalingen Woonruimte. Deze algemene bepalingen zijn niet door [gedaagde] overgelegd bij het verzoekschrift noch in dit kort geding. Voorshands dient ervan uit te worden gegaan dat artikel 20.2 van de Algemene Bepalingen Woonruimte – met welke Algemene Bepalingen de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is – waarin de contractuele rente is opgenomen, een oneerlijk beding is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e van de bijlage van de Richtlijn 93/13/EEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten). De huurovereenkomst valt voor wat betreft het rentebeding onder het bereik van genoemde richtlijn omdat aangenomen moet worden dat over deze contractuele rente niet apart is onderhandeld, het geen kernbeding in de overeenkomst betreft en omdat [eiser] op grond van de Algemene Bepalingen, algemene voorwaarden in de zin van de richtlijn, een contractuele rente verschuldigd is van één procent per maand of een gedeelte daarvan, in geval hij in verzuim verkeert (vgl. HvJ EU 30 mei 2013, nr C-488/11 en gerechtshof Amsterdam 21 januari 2014, NJF 2014, 279). Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder e van de bijlage bij die richtlijn, in samenhang met artikel 3 lid 3 van diezelfde richtlijn, wordt het opleggen van een onevenredig hoge schadevergoeding vanwege het niet nakomen van verbintenissen door een consument aangemerkt als een oneerlijk beding. Het gaat hier om een rente van één procent per maand of een gedeelte daarvan en daarmee om een vaste en aanmerkelijk hogere rente dan de hier te lande geldende wettelijke rente en marktrente, hetgeen tot het voorshands oordeel leidt dat sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn. Dit en het feit dat [gedaagde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd over welke bedragen en voor welke perioden de rente is berekend, brengt mee dat niet summierlijk blijkt van de deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] ten aanzien van contractuele rente ter hoogte van € 122,65.

Zekerheid

4.12.[eiser] heeft voor een bedrag van € 2.529,37 zekerheid gesteld ten behoeve van [gedaagde] door dit bedrag op de derdengeldenrekening van zijn advocaat te betalen en daar te laten totdat in de bodemprocedure tussen partijen uitspraak is gedaan. Deze door [eiser] geboden zekerheid is door [gedaagde] geweigerd. Het beslag komt ook hierom voor opheffing in aanmerking. [eiser] heeft immers, gelet op de (her)begrote vordering, voldoende zekerheid gesteld die tot betaling aan [gedaagde] leidt in het geval er een veroordelend vonnis wordt uitgesproken ten nadele van [eiser]. De weigering van deze zekerheid, die van de zijde van [gedaagde] niet nader is toegelicht, komt voor rekening en risico van [gedaagde]. Het stond [gedaagde], gelet op het bepaalde in artikel 705 Rv, niet zonder meer vrij van [eiser] te verlangen dat deze een bankgarantie stelt.

Opheffing

4.13.Nu artikel 705 lid 1 Rv de voorzieningenrechter daartoe bevoegd verklaart, zal zij het beslag zelf opheffen bij dit vonnis.

Verbod tot (verdere) beslaglegging

4.14.[gedaagde] zal worden veroordeeld om bij een hernieuwd verzoekschrift dat gericht is op beslaglegging ten laste van [eiser], een afschrift van dit vonnis aan de voorzieningenrechter over te leggen. Een algeheel verbod om ten laste van [eiser] beslag te leggen gaat te ver, omdat de voorzieningenrechter niet kan overzien of [gedaagde] op enigerlei wijze gerechtigd is conservatoir beslag te (doen) leggen in de toekomst. De in dit verband gevorderde dwangsom zal, als niet weersproken, worden toegewezen als gevorderd.

4.15.[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

– dagvaarding € 93,80
– betaald griffierecht 77,00
– salaris advocaat  816,00
Totaal € 986,80

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.heft op het op het ten laste van [eiser] onder Coöperatieve Rabobank Utrecht en omstreken U.A. gelegde beslag,

5.2.gebiedt [gedaagde] om een afschrift van dit vonnis over te leggen aan de voorzieningenrechter indien hij verlof verzoekt tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eiser],

5.3.veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, totdat een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.4.veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 986,80,

5.5.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.

 


 

Heeft u vagen over dit bericht of behoefte aan direct advies, neem dan kosteloos contact op met Advocatenkantoor Hoveijn. Advocatenkantoor Hoveijn is onder andere gespecialiseerd in vastgoedrecht, aanbestedingsrecht, huurrecht en ondernemingsrecht.