Go to Top

Verjaring servicekosten huur woonruimte Rotterdam

Op 14 februari 2014 heeft de kantonrechter Rotterdam de volgende uitspraak, in het kort weergegeven, gedaan.

Feiten

Gedaagde is huurder en eiseres is verhuurder van een woonruimte. Tot op datum van dagvaarding was sprake van een betalingsachterstand van € 2.875,29. De achterstand bestaat uit huur en de afrekeningen van servicekosten voor de jaren 2010 en 2012.

Op verzoek van gedaagde heeft de Huurcommissie in een op 8 augustus 2013 gegeven uitspraak, de servicekosten voor het jaar 2011 vastgesteld op € 833,80. Dit bedrag is aan gedaagde berekend, maar onbetaald gelaten.

Op 4 februari 2014 heeft gedaagde een bedrag van € 2.000,– in mindering op de vordering betaald.

Eis

Eiseres vordert betaling van de achterstand.

Overwegingen kantonrechter

Partijen hebben zich neergelegd bij de uitspraak van de Huurcommissie gedaan op 8 augustus 2013, zodat vast staat dat het betreffende bedrag ter zake van de servicekosten 2011 van € 833,80 verschuldigd is. Dit bedrag wordt toegewezen nu vaststaat dat het niet werd voldaan. Tegen de afrekening servicekosten van 2012 is door gedaagde geen bezwaar gemaakt en tegen deze afrekening is ook geen verweer gevoerd. Het bedrag van € 766,24 is dan ook toewijsbaar, nu gedaagde erkent dit bedrag niet te hebben voldaan.

Afrekening servicekosten 2010

Tegen de afrekening 2010 heeft gedaagde heeft bezwaar gemaakt bij eiseres. Het bezwaar is afgewezen en niet is gebleken dat gedaagde en/of eiseres vervolgens naar de huurcommissie is gestapt.

Artikel 7:260 BW bepaalt dat huurder of verhuurder uitspraak van de Huurcommissie kunnen vragen wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt over de afrekening van servicekosten. Het verzoek kan worden gedaan tot uiterlijk 24 maanden na het verstrijken van de in artikel 7:259 lid 2 BW genoemde termijn. Nu het gaat om de afrekening voor het kalenderjaar 2010 eindigt deze termijn op 1 juli 2011. De termijn van 24 maanden, als bedoeld in artikel 7:260 BW, is daarmee geëindigd op 1 juli 2013 zonder dat een uitspraak is gedaan door de Huurcommissie.

Artikel 51 UHW bepaalt dat na het verstrijken van deze termijn, op 1 juli 2013, in elke ingestelde rechtsvordering ter zake van de servicekosten een uitspraak van de Huurcommissie, dan wel van de kantonrechter moet worden overgelegd.

Aan deze eis kan niet meer worden voldaan nu de termijn is verstreken en dat betekent dat de afrekening van de servicekosten 2010 niet meer kan worden ingevorderd.

De termijn voor het instellen van de vordering voor 2010 is immers op 1 juli 2013 vervallen en het gevorderde bedrag van € 1.374,71 is niet meer toewijsbaar. De vordering van € 52,61, die ziet op de servicekostenafrekening van 2009 moet hetzelfde lot delen, nu niet is gesteld of gebleken dat voor deze afrekening een uitspraak van de Huurcommissie of kantonrechter aanwezig is en de termijn voor het vragen van een uitspraak aan de Huurcommissie is verstreken.

Uitspraak

Het voorgaande betekent dat in hoofdsom nog een bedrag van € 2.935,33 minus een bedrag van € 1.427,32 = € 1.508,01 kan worden toegewezen.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.


Heeft u vagen over dit bericht of behoefte aan direct advies, neem dan kosteloos contact op met Advocatenkantoor Hoveijn. Advocatenkantoor Hoveijn is onder andere gespecialiseerd in vastgoedrecht, aanbestedingsrecht en ondernemingsrecht.